In het 19e eeuwse Krommenie werkten volgens het bevolkingsonderzoek in 1839 de helft van de bevolking bij de zeildoekindustrie. 13% was dienstbode, 8% winkelier, slechts 5% zat in het boerenbedrijf en 16% behoorde tot de groep overige beroepen. In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw nam het hoge aandeel van de zeildoekindustrie af door de komst van het stoomtijdperk en diverse nieuwe industrieën in Krommenie, zoals de blikfabrieken, sigarenindustrie en de Linoleumproductie vanaf 1899.
Om de lezer op weg te helpen naar de indrukwekkende prestatie die Krommenie op het gebied van de zeildoekproductie heeft geleverd in de zeventiende tot en met de negentiende eeuw nog enkele hoogtepunten:
- In de zeventiende eeuw kwam 50 tot 70% van de Nederlandse zeildoekproductie uit Krommenie.
- Op het hoogtepunt werden 30.000 rollen zeildoek per jaar afgeleverd. Hiervoor waren 600 thuiswevers en 1000 thuisspinsters uit Krommenie en Assendelft werkzaam bij een gezamenlijk inwonersaantal van ongeveer 1000 gezinnen.
- Door de malaise in de Franse tijd en de economische achteruitgang na de Gouden Eeuw alsmede vooral door de komst van de stoomtijdperk in de scheepvaart liep de vraag naar zeildoek sterk terug. Van 24 zeildoekfabrikanten in 1780 bleven er slechts 2 over vanaf 1900 (Van leyden en Kaars Sijppesteijn)
In 1891 werd enquêtes gehouden onder de werkende bevolking van Krommenie. Onderstaand verslag is letterlijk overgenomen uit Kroniek 35 (september 2004).
“Onderzoek omtrent de maatschappelijke toestanden der arbeiders, omtrent de verhoudingen tusschen werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrijven, en omtrent den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid der werklieden, ingesteld door de Staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890”.
Verhoor van Jan Luijting, oud 60 jaar, pakhuisknecht in de zeildoekmakerij van de firma D. van Leyden en Zoon te Krommenie.
Voorzitter (V): Zijt gij altijd in de zeildoekmakerij werkzaam geweest?
Luijting (L): Ja, van mijn tiende jaar af.
V: Was er toen eene werkplaats, of werd er uitsluitend thuis geweven?
L: Toen werd er thuis geweven.
V: Gij zijt dus met uw tiende jaar voorgoed van school gegaan?
L: Ja, om voor mijn ouders in het huishouden wat bij te dragen. Van het jaar wordt het 50 jaar dat ik bij de firma Van Leyden werkzaam ben.
V: Sedert wanneer is de fabriek eene stoomfabriek?
L: Sedert een jaar of vier.
V: Wat is het minimum loon voor getrouwde lieden?
L: Negen á tien gulden.
V: Ge hebt opgegeven, wat de machinewevers verdienen; maar wat verdienen nu de handwevers?
L: Vijf á tien gulden. De prijzen gelden per rol en een rol kan gemiddeld in 5 dagen afgemaakt worden. Hierbij zijn leeftijd en kracht van invloed.
V: Beschouwt gij het machinale weven als lichter dan het handweven?
L: Ja, vooral het weven van zware stukken, zooals de menschen, die 9 of 10 gulden verdienen is heel zwaar.
V. Zoodat die menschen spoedig op zijn?
L: Ja, dat geloof ik wel.
Verhoor van Cornelis Woud, oud 32 jaar, hennepklopper in een windmolen (de Blauwe Arend) van de firma D. van Leyden en Co, te Krommenie.
V: Waarin bestaat uw werk?
W: Dat is doodeenvoudig. Er zijn in den molen 10 stampers, die gaan op en neer en vallen in kommen, gevuld met hennep. Als wij denken, dat de hennep zacht genoeg is, halen wij de stampers op, en doen den hennep weg. Is hij niet zacht genoeg, dan moeten de stampers nog wat werken.
V: Veroorzaakt dat stampen niet veel stof?
W: Ongelijk, dat hangt veel van de qualiteit van den hennep af.
V: Zijn er bijzondere voorzorgsmaatregelen getroffen tegen de stof?
W: De ventilatie is bij ons zoo goed mogelijk ingericht. De molen is achtkant, op elken kant met luiken voorzien. De luiken, van de windzijde afgekeerd, kunnen dus altijd opengezet worden om het stof te verwijderen.
V: Als de molen loopt, hoe is dan uw werktijd geregeld?
W: Van ‘s morgens 5 tot ‘s avonds 8 uur.
V: Blijft gij dien geheele tijd op den molen?
W: Neen, om 8, 12 en 4 uur hebben wij een uur schafttijd, dan gaan wij naar huis.
V: Hoeveel verdient gij gemiddeld per week?
W: In het half jaar van Januari tot nu heb ik 10,23 gulden per week, de middenknecht zoowat 7 gulden en de jongen 3.50 gulden.
V: is die man, die 7 gulden verdient, gehuwd?
W: Ja. Hij is 58 jaar oud.
V: Komt er nog wat verdienste bij?
W: Ja, wat afval van hennep. Gemiddeld heb ik daarmede verleden jaar 0,75 gulden gemaakt. In dat opzicht deelt de middenknecht gelijk op.
V: Te zamen maakt die dus 7,75 gulden. Moet hij daar met een gezin van leven?
W: Hij heeft alleen een vrouw.
Hennepklopper De Blauwe Arend, aan de Noordervaartdijk (1890)
Verhoor van Willem Woud, oud 48 jaar, baas in de Machinale Garen spinnerij, te Krommenie.
V: Zijt gij allang de baas?
W: Een jaar of 13; eerst hebben wij een jaar of 7 een Belg gehad, die mij het werk heeft geleerd. Ik ben van 1866 af aan de fabriek.
V: Hoe talrijk is het personeel?
W: 41; mannen, vrouwen en jongens.
V: Op welke leeftijd neemt gij de jeugdige arbeiders en arbeidsters aan?
W: Vanaf 12 jaar, als zij van school komen. Vroeger kwamen zij wel vanaf 10 jaar, maar sedert die wet van 14 jaar geleden is dat veranderd.
V: Werken die kinderen gelijk op met de volwassenen?
W: Ja, maar nu werken wij maar 10 uren daags, en vroeger was de werkdag 15 uren met 2 uren schafttijd; toen werkten zij ook gelijk op.
V: Vondt gij dien feitelijke arbeidsduur van 13 uren niet te lang?
W: Ja dat was veel te erg, want het is een slecht werk in dat stof.
V: Gij zeidet terecht, dat het een zeer stoffig werk is; van den winter, toe wij de fabriek bezochten, vonden wij het ook erg vuil.
W: Wanneer het koud is, worden de ramen zooveel mogelijk dicht gehouden en kan het stof moeilijk weg.
V: Het heeft ons getroffen, dat, behalve het vele vuil en stof, de meisjes er zeer slordig uitzagen.
W: Het is een smerig werk en daarom verwisselen zij hare goede kleren voor de oude.
V: Wij hebben elders fabrieken gezien, waar dezelfde werk werd verricht, doch waar de meisjes er toch niet vuil en slordig uitzagen. Worden de meisjes van de spinnerij niet spinlorren genoemd?
W: Dat is haar bijnaam
V: Wordt het als eene soort schande beschouwd in de spinnerij te werken?
W: Voornaam is het niet; ook krijgen zij niet de opvoeding van een dienstmeisje en weten niets van van huishouden af.
V: Wat verdient zoo’n meisje
W: Vanaf 1,50 tot 5,00 gulden per week.
V: Is het niet een werk, dat den spinner vroeg oud maakt?
W: Ja, door het stof.
V: De longen lijden er dus onder?
W: Ja, ik heb er eene slechte borst van gekregen, maar ik ben er ook 25 jaar in. De meisjes blijven er niet zo lang, zij komen op haar twaalfde jaar en trouwen op haar negentiende.
Verhoor van Dirk van Leyden, oud 36 jaar, zeildoekfabrikant, firma D. van leyden en Zn, tevens mededirecteur van de machinale garen sprinnerij, te Krommenie.
V: Sedert wanneer bestaat uwe machinale weverij?
L: Ongeveer 4 jaar.
V: Werd voor dien tijd het bedrijf geheel door handweverij uitgeoefend?
L: Vroeger waren ca 350 handwevers, nu nog ca 180, waarvan 50 voor ons bedrijf.
V: Hoe talrijk is het personeel in uwe machinale weverij?
L: 22 mannen en 4 jongens.
V: Wat zijn de gemiddelde feitelijke lonen?
L: Verleden jaar 8 gulden voor de mannen en 6 gulden voor de jongens.
V: Zijn de verdiensten van de handwevers geringer dan die van de machinale wevers?
L: Gemiddeld verdienen zij 7 gulden, 4 man van boven de 60 verdienen 5 gulden.
V: Kunnen de handwevers in den winter geruimen tijd niet werken?
L: Als eene schuur erg slecht en tochtig is, dan willen zij bij strenge vorst wel last hebben van de pap. Dezen winter hebben zij wel eene week of vijf gesukkeld. Vroeger werden in die omstandigheid voorschotten verleend, die in de zomer ingehaald werden, maar om het misbruik, dat er van gemaakt werd, is men daarmee geëindigd.
V: En hoe zijn de menschen dien tijd doorgekomen?
L. Wij hebben hen toen geholpen met turf en etenswaren.
Verhoor van dr. Quirinus Cesar Collard, oud 36 jaar, geneesheer.
V: Is het waar, dat het getal zieken onder de wevers bijzonder groot is?
C: Er zijn en den laatsten tijd zooveel oude wevers geweest, die 20 weken uit het fonds hebben getrokken, en dat is een kwaad ding voor een fonds.
V: Is dit eene toevallige omstandigheid, of is dit een gevolg van het vermoeiende, voor den tijd oudmakende van het bedrijf?
C: Het bedrijf is niet ongezond, indien ze maar te eten hebben. Zij staan wel den geheelen dag in het zweet en worden mager als brandhout, maar zij hebben frissche lucht.
V: Maar is het werk toch niet buitengewoon vermoeiend?
C: Ja een wever van 60 jaar ziet er uit als een van 80.
V: De verdiensten zijn in de latere jaren minder geworden, niet waar?
C: Ja, zij mogen niet zooveel rollen weven als vroeger.
V: Het thuisweven sterft immers allengs uit?
C: Gelukkig ja.
V: Wat ziet gij van die arbeiders worden?
C: De jonge moeten boerenarbeider worden, en de oude sukkelen zoo goed en kwaad voort als het gaat. Tegenwoordig weven zij, “tot zij den zak krijgen”.
V: Acht gij het juist, dat te Assendelft het meest gedronken wordt door de wevers?
C: “In het zuiden van Assendelft eten ze koek; in het noorden drinken ze jenever”
V: Waaraan schrijft gij dat toe?
C: Als een wever “te kuste” gaat (zij rol webrengt), moet hij 3 of 4 heilige huisjes (kroegen) voor bij, en dan heeft hij op den terugweg geld in den zak. Zoo blijft hij een uurtje langer weg.
V: Is het pleisteren vrij algemeen?
C: Ja, men ziet soms 9 kruiwagens voor zoo’n koeg staan.