In het algemeen speelde het leven in Midden-Kennemerland zich tot omstreeks de tiende eeuw af in het gebied van de duinstrook zélf en het land direct achter die duinstrook, de binnenduinrand. Dit gebied was al vroeg bewoond, in de Velserbroek zijn zelfs bewoningssporen uit 1500 voor Christus aangetroffen, zie ook landelijke en regionale geschiedenis
Het gebied ten oosten van de kuststrook was tot de tiende eeuw vrijwel onherbergzaam. Het aldaar gevormde veengebied was doorsneden door stroken moerasland en kronkelende veenstroompjes. Ten zuiden en ten westen van het veengebied stroomde het Oer-IJ. Aan de oevers van het Oer-IJ zijn buiten de kuststrook ook sporen van bewoning aangetroffen en wel aan de monding van de Nauwe Vliet. Deze dateren van omstreeks 600 voor Christus. De bewoners waren toentertijd boeren. Op het veen bedreven zij veehouderij en op een strook kleiafzettingen van het Oer-IJ was graanteelt mogelijk. Vanwege veranderlijke klimatologische omstandigheden verdwenen na de vierde eeuw de bewoners weer. Het land dat later Assendelft zou worden lag er zes à zeven eeuwen woest en ledig bij.
De bewoningsconcentraties in het Holland vormden in de zevende en achtste eeuw deel van een keten die zich uitstrekte langs de hele Noordzeekust. Dit gebied stond in de Karolingische periode bekend als “Frisia”.
De kust van Holland werd rond de tiende en elfde eeuw geteisterd door zandverstuivingen waardoor jonge duinen ontstonden die zich uitstrekten tot over de oude duinen en strandwallen met bijbehorende akkers met catastrofale gevolgen. Bewoning in het duingebied was bijna niet meer mogelijk, hele dorpen moesten worden opgegeven en de kustlijn schoof zelfs enigszins landinwaarts op. Er ontstond druk in oostwaartse richting om de daar aanwezige veengebieden te ontginnen. Door de droogte was het veengebied vanuit het westen al beter toegankelijk geworden. Vanuit het toenmalige Hofland en Assum, bewoningsgebieden dat tegenwoordig tot Beverwijk en Heemskerk behoren, werd geleidelijk de veengebieden ontgonnen door sloten te graven om het drassige gebied goed te ontwateren. Later voegde Velsen zich toe met een afzonderlijk ontginningsblok.
Waarschijnlijk werd van noord naar zuid een vaart gegraven, als eerste de Kaaik (verbastering van Kade-dijk) en op een later tijdstip, de Delft. Aan de westkant van de afwatering verrees dan een veendijk. Deze noord-zuid vaarten dienden om de afwatering van het hoger gelegen veengebied aan de oostkant te kanaliseren. Daarna werden de sloten in westwaartse lager gelegen richting gegraven. Overigens zijn de kenners het niet eens over de volgorde, eerst N-Z vaarten en dan afwateringssloten of andersom.
De bewoners uit de voornoemde gebieden vormden de eerste groep kolonisten dat in de tiende eeuw een kerkbuurtje stichtte aan het veenriviertje De Kaaik, ongeveer 2 km ten westen van de huidige dorpsstraat. In dit gebied zijn in 1983 spectaculaire archeologische vondsten gedaan; men vond daar bewoningsresten van een woongemeenschap uit voornoemde tijd. Door verregaande vernatting van het gebied volgde twee eeuwen later de migratie naar de huidige lang gerekte dorpsstraat en was het huidige Assendelft met Krommenie in het verlengde een feit.
Aanvankelijk bedreef men landbouw. Door de ontwatering begon het land echter sterk te dalen (inklinken). Het veenland werd weer natter en was alleen nog maar geschikt als weiland en hooiland. De Assendelver polder was weinig geschikt voor turfwinning. Behalve in het zuidoosten, tussen de Bloksloot en de Communicatieweg, werd in de 19e eeuw turf gewonnen. Indien rijdend over de N246 langs de Nauernaschevaart is duidelijk te zien dat dit gebied lager ligt. Van het Wijkermeer is tegenwoordig nog slechts een klein watertje overgebleven, genaamd De Kil (komt van kille dat kreek betekent). De Kil is tevens de gemeentegrens tussen Beverwijk/Heemskerk en Zaanstad.
Vierendelen
Het ambacht of banne Assendelft was opgedeeld in vier vierendelen, Broek (zompig land), Kerk, Woud (bossages), en Nes (landtong). Per vierendeel werd tenminste één schepen gekozen voor het college van Schout en Schepenen. Tussen de eerste drie vierendelen en Nes bleef een onontgonnen deel over, genaamd de Hemmen, een zompige reep laaggelegen buitendijks land dat regelmatig overstroomde en pas in de 14e eeuw werd ingepolderd. Het land tussen twee sloten was genaamd “weer” en was 50 meter breed. Een weer had een oppervlak van ongeveer 16 morgen (1 morgen was 0,8-1 ha). Broek, Kerk en Woud besloegen samen een oppervlak van 75 weren, dat overeen zou kunnen komen met 75 boerengezinnen. Tezamen waren dat zo’n 400 à 450 zielen (ca 1568).
De Assendelver vierendelen
Voor wat betreft Broek, Kerk en Woud heeft de ontginning tot aan de Delft slechts enkele jaren geduurd. Het deel van de Delft tot het Twiske (Nauernasche Vaart) is in een latere fase aangepakt. Het vierendeel Nes is tenslotte later in de middeleeuwen vanuit Velsen ontgonnen.
Overstromingen
Eind twaalfde, begin dertiende eeuw teisterde vier rampzalige stormvloeden de Hollandse kust (1170, 1196, 1214 en 1248). De ingeklonken kwetsbare veenontginningen waren daar niet tegen bestand en het water kreeg vrij spel. Er moeten zich vreselijke drama’s hebben afgespeeld, maar daarvan is weinig of niets bekend. Pas omstreeks 1300 werd Assendelft samen met Krommenie en Westzaan omdijkt. Tevens werd het gebied opnieuw ingericht met een nieuwe verkaveling en werd de ontginning van woestenij de Hemmen ter hand genomen.
Om watersnood noordwaarts te beteugelen werd de Wijkermeer in 1357 afgedamd met de Nieuwendam nabij het tegenwoordige buurtschap Busch en Dam. Het gebied ten zuiden hiervan raakte daardoor steeds verder dichtgeslipt. Mede hierdoor werden in de loop der tijd het onderhoud van de omringende dijken verwaarloosd. Met als gevolg een nieuwe overstromingsramp in 1717. Uiteindelijk werd in 1719 het gehele gebied onder controle gebracht door de aanleg van een stevige dwarsdijk, de Nieuwendijk, gelegen tussen de Aagtendijk en de Groenedijk/Zeedijk.
Kaart van Assendelft door Tijs Classz, waarop aangegeven de dijkdoorbraken van 26 december zijn aangegeven.
Nauernasche Vaart en Vrouwenverdriet
Tussen Assendelft en Westzaan lag het natuurlijke veenstroompje Twiske (of Twisch). Dit veenriviertje werd na aanleg van de Schermerpolder in 1663 omgevormd tot de Nauernasche Vaart om als ontwatering richting het IJ dienst te doen. Gedurende de werkzaamheden ontstond een buurtschap, gelegen iets ten zuiden van de huidige watertoren. In dit buurtschap werden de gravers ondergebracht en hadden daarbij de gewoonte een groot deel van het verdiende geld in de plaatselijke herberg te besteden, zeer tot wanhoop van hun vrouwen. Het buurtschap kreeg daardoor de officiële naam Vrouwenverdriet.
Veeteelt
Aanvankelijk dacht men dat de ontgonnen veengebieden geschikt waren voor akkerbouw. Maar dat viel tegen. Door inklinking werd de grond in de loop der tijd steeds drassiger en bleek ongeschikt voor akkerbouw. Er werd steeds meer overgeschakeld op veeteelt en met succes. Eind 16e eeuw had Assendelft met zo’n 4000 koeien een van de hoogste concentraties van het land. Jaarlijks werd in die tijd gemiddeld 2000 liter melk per koe afgegeven waar 800 liter per koe normaal was.
Schermutselingen rondom “vette specie”
Spuien bij lage stand was al eeuwenlang het middel om overtollig water te lozen. Er waren voor dat doel langs de Wijkermeer en het IJ gaandeweg 14 duikersluisjes aangebracht. De boeren van Nes, maar ook een aantal van Woud en Kerk hadden de eigenaardige gewoonte ontwikkeld om gedurende de wintermaanden óók de sluisjes open te zetten om met slib beladen water binnen te laten. Zij waren ervan overtuigd dat dat slib mest bevatte dat hun weilanden deed bemesten. Het slib werd in de volksmond “vette specie” genoemd. Alleen het land direct achter de sluisjes hadden hiervan enigszins profijt, kunnen we met de huidige kennis zeggen. Maar verderop had men alleen maar last van het ingelaten water. Het dorp in het noorden en oosten kwam door de snellere bodemdaling, alwaar het veen een stuk hoger was, steeds lager te liggen. Het water stroomde niet meer bij eb terug via de sluisjes maar zocht steeds meer zijn weg landinwaarts. Dat water vond uiteindelijk zijn weg richting grote meren noordelijker gelegen, zoals Beemster en Schermer die weer in verbinding stonden met IJ en Zuiderzee. Toen men echter de zeegaten in de 16e eeuw één voor één ging dichten kon het ingelaten water nergens meer heen. Deze wantoestand duurde enige tijd totdat in 1565 de Gecommitteerde Raden Assendelft de keus: een “achterdichting“ aanleggen om het water binnen Assendelft te houden en daarmee de noordelijke dorpen zoals Krommenie vrij te houden van wateroverlast, of de sluizen voortaan dicht te houden. Assendelft hield zich doof en in de daaropvolgende winter werden de sluisjes gewoon weer opengezet. Het Assendelver land was weer volledig ondergedompeld met grauw water van op sommige plekken van meer dan een halve meter diep. Alleen de Dorpsstraat, toen de Herenweg geheten, en de daaraan gelegen erven op de terp van de Kerkbuurt, bleven droog. Op 15 januari 1566 was het geduld op van het bestuur van de Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen en de bestuursleden begaven zich naar de Zeedijk om de openstaand sluisjes door hun bode te laten sluiten. Daarop kwam een menigte van enkele honderden Assendelvers met hooivorken, bijlen en pieken de heren van het Hoogheemraadschap omsingelen. Na enkele uren verkoos het college het hazenpad. Nu trad zelfs de landsregering op. Assendelft kreeg opnieuw het bevel een achterdichting aan te leggen of de sluisjes dicht te laten, anders volgen hoge straffen. Het dorpsbestuur verkoos eieren voor hun geld en legde in 1567 een dijk aan op de grens tussen Assendelft en Krommenie, genaamd de Klamdijk, en langs de Twisch (de latere Nauernase Vaart). Maar een groot deel van Assendelft zelf bleef natuurlijk met de wateroverlast zitten omdat de Nesser boeren weer gewoon hun gang konden gaan. Door aanslibbing waren de sluisjes aan de Wijkermeer in de loop der tijd onbruikbaar geworden, alleen naar het IJ kon nog gespuid worden. Daardoor bleef het noordelijk deel van Assendelft langdurig last houden van wateroverlast. De waterstaatkundige toestand werd erbarmelijk. Naar aanleiding van de successen van de droogmakerij van de Beemster besloot men in 1633 nabij Nauerna twee watermolens te bouwen, De Os en De Bul. De “burgeroorlog” tussen vierendelen was nog steeds niet teneinde. De Nesser boeren bleven in de wintermaanden de duikersluisjes openzetten, ondanks de weerwil van de noordelijke vierendelen. Ook de inwoners van Krommenie begonnen zich te roeren, bang dat de Klamdijk zou gaan overlopen. In 1663 gelastte de Staten dat de sluizen gesloten moesten blijven totdat een nieuwe dwarsdijk door de polder was gelegd die het Broeckenvierdeel van het water zou vrijwaren. Over deze dijk werd later de Communicatieweg aangelegd. Om na aanleg van de dwarsdijk in de noordelijke Broeckvierendeel de voeten droog te houden werd in 1663 nog de watermolen De David opgericht. Uiteindelijk werd het laatste duikersluisje in 1736 gesloten en daarmee kwam een definitief einde aan een groot ongenoegen dat zich al eeuwen, mogelijk al in de 14e eeuw, voortsleepte.
Bronnen
J. de Boer – Tusschen Kil en Twiske
J. de Boer – Hoge Heerlijkheid
Bert Koene – Goede luiden en gemene onderzaten