Opkomst van de zeildoekindustrie

De zeildoekweverij in Assendelft en Krommenie ontstond tijdens de opkomst van de scheepsbouw in de Zaanstreek en Amsterdam. Aanvankelijk was tot de tachtigjarige oorlog alleen sprake van een twintigtal lindewevers in deze regio. Na het vertrek van de Spanjaarden in 1576 uit de omgeving, nadat zij Krommenie (check) hadden platgebrand in 1574, en door de opbloei van de international handel braken er betere tijden aan. De scheepswerven profiteerden hier ten volle van. De komst van de hennepmolens, de thuisweverijen en het graven van de Nauernasche vaart (1633) was de basis voor de snelle ontwikkeling van de zeildoekindustrie in Krommenie. Had Krommenie en Assendelft  in 1550 nog circa 2000 inwoners, in 1700 was dat circa 5000, verdeeld over zo’n 1000 gezinnen. Vanuit die duizend gezinnen waren zo’n 700 thuiswevers en 1000 spinsters betrokken bij de het maken van zeildoek. Een thuiswever kon per jaar maximaal 50 rollen zeildoek afleveren. Tezamen produceerden zij dus maar liefst 30.000 rollen zeildoek per jaar. Vrijwel elk gezin was betrokken bij de zeildoekproductie. 

 

Schering en inslag

De thuiswevers haalden gebleekte strengen garen op bij de rolreders om er thuis op een weefgetouw zeildoek van te maken waarbij de schering en inslag een belangrijke rol speelden. Het gezegde “dat is schering en inslag” voor iets dat doorlopend gebeurt stamt uit de weefindustrie.

 

Zware en lange werkdagen

Men deed het werk in bedompte ruimtes, soms in huis maar ook in schuren. Uit een enquête in 1890 staat het volgende beschreven: “Lambert van Steen (39) uit Assendelft leerde weven toen hij 12 jaar was. Hij werkte 6 dagen in de week vanaf 5 uur in de ochtend tot 7 uur in de avond om een rol zeildoek  (ca 34 meter) te fabriceren. Men was soms al op 35 jaar afgeleefd”. Rond het jaar 1890 waren de vooruitzichten slecht voor de thuiswevers door de overgang op machinaal weven. 


Een thuiswever in Assendelft

 

Zeildoekwever thuis aan het werk, circa 1880

 

Schamele verdiensten

Door H. Langewis is de situatie aan het eind van de 19e eeuw treffend vastgelegd. Citaat: “Aan de noordkant van de Padlaan waren 2 garenwerven om garen te drogen. Deze garens werden gebruikt door de handwevers. Met de verdwijning van de handwevers zijn ook de garenwerven verdwenen en daarmee ook de eigenaardige drukte die men vrijdagmiddag en zaterdagmorgen kon waarnemen in de Hoofdstraat. Dan kwamen de wevers met hun éénwielwagentje, waarop hun geweven rol zeildoek lag, naar de keurkamer die gelegen was in een gedeelte van het voormalige ziedhuis, om hun werk te laten keuren en hun schamele verdiensten in ontvangst te nemen. Het waren voor een groot deel vroegoude afgeleefde mannetjes die in die jaren allemaal uit Assendelft kwamen. In Krommenie waren toen in die tijd geen handwevers meer. Ze droegen meestal een enge leren of pilo broek (manchester) en een kort van stevige stof vervaardigd blauw jasje. Dit jasje was met een rode stof gevoerd en zodanig gemaakt dat omgekeerd ook op zondag kon worden gedragen”.

Over de schamele verdiensten nog een kort citaat van H. Langewis: “Met grote bezorgdheid zagen de wevers de winter komen. Wanneer het begon te vriezen of bij overstroming konden zij bijna of in het geheel niet weven en waren dan vaak op liefdadigheid aangewezen. Van hun reders kregen zij meestal voedingswaren, te weten erwten, bonen en spek. Voor de rest moeste ze maar zien hoe ze de winter doorkwamen. Men kon ze wel ontmoeten als  als baanveger, bij het zandstrooien of bij het sneeuwruimen. Ook stonden sommigen wel met een ‘koek en zoopie” op het ijs. Maar de meesten werkten in de werkverschaffing”.

 

Concurrentie

Na de explosieve groei in de 17e eeuw volgde een periode van stabilisatie tot midden 18e eeuw. Daarna nam de concurrentie uit andere landen, met name Rusland, sterk toe. Het doek uit Krommenie was echter van een hoge kwaliteit maar kon niet verhinderen dat de productie iets terug liep. De productie kwam niet meer op dat vroegere hoge niveau, toen meer dan de helft van de Nederlands productie uit Krommenie kwam, in 1770 was dat zelfs 75%. Tussen 1860 en 1900 voltrok zich in Krommenie een ware omwenteling in de industrie. Door de invoering van stoommachines op schepen nam de vraag maar zeildoek sterk af. De thuiswevers en spinsters raakten zonder werk door de stoomweverijen. 

 

Thuiswevers en het “bieren”

In een brief die 335 thuiswevers in 1876 schreven aan de zeildoekfabrikanten worden de lage verdiensten benadrukt. Een weekloon van fl 3,25 a fl 6,25 (€34 a €65 anno 2016) leidde door de sterk gestegen prijzen tot een armoedeval. De fabrikanten waren bereid het weekloon per rol te verhogen naar fl 5,- tot fl 10,- (€52 a €104), afhankelijk van de kwaliteit. Maar het “bieren” op de zaterdag voor Pinksteren werd afgeschaft. Met dat “bieren”wordt bedoeld dat men zich op kosten van de fabrikanten mochten “voldrinken”.

Garenwerf van Kaars Sypesteijn te Krommenie

 

De zeildoekfabrikanten

De zeildoekfabrikanten (rolreders) waren aanvankelijk kleine ondernemers, die de hennepkloppers (waar de grondstof hennep tot vezels werden gebeukt) en ziedhuizen (hier werd het geelachtige garen gekookt/ontkleurd) exploiteerden. In de 17e eeuw stonden er 17 hennepkloppers in de banne Krommenie, meestal eigendom van de rolreders. In het midden van de 18e eeuw waren er zo’n 40 rolreders in Krommenie. Aan enkele fraaie gevels in Krommenie is nog te zien dat sommigen van hen het goed ging. In 1851 stonden in Krommenie, dat toen ongeveer 2500 inwoners had, 434 weefgetouwen, die samen 20.588 rollen zeildoek produceerden. In die tijd waren nog acht rolreders actief (in heel Nederland dertien). Het piekjaar voor Krommenie was 1725 met 33.272 rollen en 41 rolreders (in heel Nederland 58). Door de dalende vraag schakelde de weverijen over op dekzeilen, koedekken, zakken, tentdoek en brandslangen. In 1891 waren nog 5 weverijen overgebleven (Kaars Sypesteijn, Van Leijden, Schaap, Van Eden en Planteidt) en in 1901 nog slechts 2, Kaars Sypesteijn en Van Leyden. De 20e eeuw was voor de weverijen een moeilijke periode. Na de tweede wereldoorlog stegen de lonen in de 60er jaren dusdanig sterk dat de concurrentie met de lage lonen landen niet volgehouden kon worden. Uiteindelijk staakte D. van Leijden en Zoon in 1965 zijn productie na te zijn overgenomen door Nijverdal ten Cate. Aan een drie eeuwen dominerende zeildoekproductie kwam een einde.



Het fries van het dakkapel van het huis van de familie Kaars Sijpesteijn aan de Zuiderhoofdstraat 115 te Krommenie. Het dateert van 1702. Het toont rolreders met rollen zeildoek. Diverse gevels zijn in de 18e eeuw gebouwd in opdracht van de rolrede

D. van Leijden en zoon

Op 1 maart 1847 werd N.V. Weverijen van D. van Leijden en Zoon opgericht. Van Leijden was een van de zeildoekfabrikanten die meeging met industriële vooruitgang en door stoommachine aangedreven weefgetouwen introduceerden. Bij de fabriek van Van Leijden werkten in ieder geval Jan van der Laan (*1876) en zijn vader Hendrik (*1835) 

Weverij D. van Leyden 1890



Woonhuis (links) en toenmalig kantoor van weverij D. van Leijden, Noorderhoofdstraat 26 te Krommenie



Fraaie gelegenheidstableau van N.V. weverijen van D. van Leyden en Zoon bij 75 jarig bestaan.

Uit Kronieken van Krommenie over het gelegenheidstableau: In het midden van het bovendeel van het gelegenheidstableau het complex van de jubilerende weverij in 1922. Helemaal rechts, langs de Vaartdijk-met nog een puntje van de Nauernasevaart – bevindt zich de garenspinnerij. Op de hoek de vlasloods. Vlas was degrondstof die via de weg (de Noorderhoofdstraat) of via het water (de Nauernasevaart) werd aangevoerd. Een enkele keer werd nog hennep gebruikt. In het dwarse gedeelte achter de spinnerij waren de hekel- en andere voorbereidingsmachines. De uitbouwtjes op het tableau vormden later één geheel met de spinnerij. Het gebouw in het midden achteraan was de reparatiewerkplaats, de “smederij” genoemd, hoewel er geen vuur te bekennen was. Er werkten vier of vijf machinebankwerkers. Naast de smederij waren ook vlasloodsen. Het gebouwtje op het middenterrein was het transformatorhuisje. Het terrein werd aanvankelijk gebruikt om garen te bleken. Later gebeurde dit in een werkplaats. Links van het plein was de timmerwerkplaats waar Hotze de Roos de enige timmerman was (en in zijn vrije tijd schrijver van de Kameleonserie). Hij was belast met het onderhoud van de gebouwen en de houten rollen voor de spinmachines. Het witte gebouwtje naast de schoorsteen was het ketelhuis waar twee stoommachines werden bediend door twee vaste stokers en een invaller. Zij waren speciaal opgeleid want het was heel link met die ketels. Achter de schoorsteen was de weverij die bestond uit:

– de twinnerij (waar enige draden werden samengevoegd)

– de spoelerij (waar het garen op klossen werd gezet) en

– de scheerderij (waar de klossen tot een “boom” werden samengevoegd; deze boom, eigenlijk een gigantische klos, kwam achter in het weefgetouw).

Het kantoor bevond zich aan de Noorderhoofdstraat. De fabriek is vanaf het begin geleid door de familie Van Leyden. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een opleving, de fabriek floreerde weer met 100 man personeel, maar de marktomstandigheden verslechterde snel door onder andere de opkomst van kunstvezels. Ook Van Leyden moest in 1965 zijn poorten sluiten.

 

Linoleumfabriek

Een belangrijke “spin-off” van de zeildoekindustrie was het idee om zeildoekfabricage van Kaars Sijpesteijn en het olieslaan (oliewinning door de olie uit zaden te slaan) in molens van West-Knollendam te combineren tot linoleumfabricage. In 1899 kwam deze industrie in Krommenie tot stand. Dat was een welkome werkvervanging voor de tanende zeildoekindustrie die zwaar te lijden had onder de afnemende vraag om zeildoek wegens de verregaande stoommachine aandrijving voor schepen.

Een geschonken weefgetouw uit 1625 van Kaars Sijpesteijn staat in het Molenmuseum te Koog aan de Zaan

 

Bron: Kroniek 1(A-C)